Vogels in de rui

door Hedwig van der Horst, dierenarts te Veldhoven.

 

Het ruiproces bij vogels is een ingewikkeld gebeuren waar zeker nog niet alle feiten van bekend en onderzocht zijn. Wel weet men dat een aantal factoren een zeer belangrijke rol spelen. Dat zijn:

1. weefsel dat de veren vormt

2. hormonen

3. omgeving

De factoren hebben invloed op het ruiproces. Ik zal ze hierna een voor een bespreken.

 

1. weefsel dat de veren vormt

De rui en veerfollikels

De veerfollikels zijn de zakjes waar de veren uit groeien. Alleen gezonde veerzakjes produceren gezonde, normale veren. Er zijn een aantal ziekten bekend die de veerzakjes aantasten en daarmee een abnormale rui en het ontstaan van abnormale veren kunnen veroorzaken. Bij Europese cultuurvogels zijn huidschimmel en schachtmijt de meest voorkomende ziekten van de veerfollikels. Ook komen er erfelijke afwijkingen voor.

Huidschimmel

Huidschimmel is een ziekte waarbij de huid zelf er op het oog normaal uitziet. Meestal heeft de vogel wel flink last van jeuk en zit hij voortdurend te krabben. Het verenkleed wordt aangetast door het krabben, maar ook doordat de geïnfecteerde veerfollikel niet goed kan functioneren.

Huidschimmel is vast te stellen door enkele veertjes op kweek te zetten. De aandoening is meestal goed te verhelpen door de vogels met een speciale vloeistof (imaverol) te wassen. Het enige probleem is de stress die de vogel dan ondervindt; de vloeistof moet namelijk goed ingemasseerd worden.

Schachtmijt

Schachtmijten zijn parasieten, die (de naam zegt het al) in de schacht van de veren zitten. Het is niet helemaal duidelijk of de mijt zelf ook de veerfollikel aantast of dat de vogel door de jeuk zoveel poetst, dat er veerfollikels en net ontstane veren beschadigd worden. Feit is dat dieren met schachtmijten een rommelig verenkleed hebben met vaak veel buis- en bloedpennen. Bij microscopisch onderzoek van met name de afwijkende veren, zijn de schachtmijten meestal eenvoudig te ontdekken. De meest eenvoudige behandeling is met ivomec (in bijv. antiluchtpijpmijt van Bogena). Men moet meestal minimaal driemaal behandelen met steeds tien dagen tussentijd, alvorens alle parasieten verdwenen zijn.

Erfelijke afwijkingen

De meest bekende erfelijke afwijking is polyfolliculitis: een aandoening waarbij meerdere veertjes per veerzakje aanwezig zijn. Bij gezonde vogels zit er altijd één veertje in een veerzakje. Zitten er meerdere in, dan raakt het veerzakje verstopt of geïrriteerd en kan het ruiproces niet normaal verlopen. Helaas is voor deze aandoening geen therapie bekend. Komt de afwijking slechts in één of enkele veerzakjes voor, dan kan er chirurgisch ingegrepen worden. Meestal is dit echter geen optie omdat er te veel afwijkende zakjes zijn.

2. Hormonen

Rui en voortplantingshormonen

Rui en voortplanting gaan niet samen. Een pop in de rui kan nooit eitjes produceren omdat – op het moment dat het ruiproces begint – de eierstok inactief wordt. Een man in de rui kan nooit een pop bevruchten om dezelfde reden: zijn testikels zijn op dat moment inactief. Het begin van de rui kan onderdrukt worden door geslachtshormonen toe te dienen. Daarentegen kan de rui opgewekt worden door progesteron. Dit is een hormoon dat de activiteit van eierstok en testikel onderdrukt.

De geslachtshormonen spelen een belangrijke rol bij het verenkleed van vogels. Dit kleed verandert, afhankelijk van leeftijd, geslacht of seizoen. Denk bijv. aan mannelijke vogels die een seizoensgebonden pronkkleed hebben. Bij jonge dieren spelen de hormonen nog geen belangrijke rol; wel is het schildklierhormoon dan belangrijk. Bij poppen waarbij de eierstok niet meer functioneert (en er dus geen hormonen meer geproduceerd worden), zal het verenkleed bij de volgende rui naar het mannelijk type veranderen.

Rui en schildklierhormonen

Schildklierhormoon is nodig om veren te laten groeien. Bij dieren die niet goed uit de rui zijn gekomen of die waarbij de kopveren zich na de rui niet voldoende ontwikkelen (z.g. “kale kopjes”), wordt nog wel eens schildklierhormoon geadviseerd en toegediend. In dat geval is de kans namelijk redelijk groot dat de rui doorzet of versneld wordt en dat de veertjes op de kop binnen enkele maanden terugkomen. Er zit echter wel een risico aan het gebruik van schildklierhormoon. Niet alleen de stofwisseling van het dier kan ontregeld raken, maar er zijn ook effecten op de veren zelf te verwachten, zoals verandering van de structuur van de veren en van de pigmentatie.

Is er bij een dier te veel schildklierhormoon aanwezig, dan wordt de onderzijde van de veer overontwikkeld. Daarnaast wordt de eumelanine pigmentatie versterkt. Heeft een vogel te weinig schildklierhormoon, bijv. door een schildklierziekte, dan is de onderzijde van de veer onderontwikkeld. Ook de vlag van de veer is dan te smal en een deel van de baardjes kan ontbreken. De baardjes zorgen er normaliter voor dat de vlag van een veer éénn geheel blijft (alle losse “haartjes” haken aan elkaar vast). Als de baardjes ontbreken dan krijgt de veer een pluizig uiterlijk en verliest hij zijn waterafstotende eigenschappen. Tenslotte kan bij een tekort aan schildklierhormoon in het bloed, het zwarte eumelanine pigment geheel of gedeeltelijk vervangen worden door pheomelanine.

Rui en stresshormonen

Rui en stress gaan absoluut niet samen. Zodra een vogel gestrest is gaan zijn bijnieren het stresshormoon aanmaken en wordt de rui geblokkeerd. Dient men stresshormoon toe (corticosteroïden, zoals prednison en cortisol; zij komen in veel medicijnen voor), dan zal de rui voor langere tijd uitgesteld worden.

3. Omgeving

Rui en daglichtlengte

De lengte van de dag is het allerbelangrijkste in het ruiproces. Iedereen die vogels houdt zal weten dat de vogels in de rui vallen ná de langste dag (21 juli). De rui komt dus op gang als de dagen korter worden. Bij dieren die binnen zijn gehuisvest en een vast dag/nacht ritme hebben, is dit proces na te bootsen. Wordt de lamp ’s avonds een paar uur eerder uitgedaan, dan zullen de dieren binnen enkele weken in de rui vallen. Hoe eerder het licht dus uitgaat, m.a.w. hoe groter het verschil tussen de oorspronkelijke daglichtlengte en de nieuwe daglichtlengte is, hoe sterker en geforceerder de rui zal verlopen. Dit proces heeft echter meer effect in de herfst dan in de lente. Dus ook op vogels die binnen gehuisvest zijn, heeft de natuur zijn invloed!

Bij de “kale kopjes” die binnen zijn gehuisvest, is het verkorten van de daglichtlengte meestal een eenvoudige en goed werkende therapie. Men moet hiermee echter op tijd beginnen, omdat het begin van de rui enkele weken op zich laat wachten. Begin verder pas met het verkorten van de daglichtlengte als het kweekseizoen is afgelopen.

Rui en voeding

Het spreekt voor zich dat ook een uitgebalanceerde voeding invloed heeft op de vorming van mooie veren. Vooral Vit. A is belangrijk aan het begin van de rui. Bij een tekort aan deze vitamine zal het dier niet of maar gedeeltelijk ruien. Verder is het van belang te weten dat veren voor een groot gedeelte uit eiwit bestaan. Een goede eiwitbron en voldoende essentiële aminozuren zijn dus noodzakelijk voor goede vorming van de veren

Terug naar Artikelen